Copyright © 2017 Mols Poëzie Atelier.be : Alle rechten voorbehouden

00001778
mpa

Klik op het logo om verder te gaan






Boni

Boni Van Beirendonck (Mol °1929)


Als ouderdomsdeken van het Mols PoëzieAtelier en leraar talen, is Boni
de aangewezen dichter om de gedichten taalkundig te ontleden.

Het collectief maakt daar ook dankbaar gebruik van. Zelf schreef hij in 1987 zijn
eerste gedicht, bij een verrassend plotselinge doorbraak van de lente. Hij publiceerde
de gedichtenbundel "Eensklaps op een maandag" en een Engelse vertaling van zijn
werk in "Suddenly one Monday". Zijn thema 's zijn taal, communicatie en
dichterschap, natuur en landschap.

Ook menselijke ervaringen en maatschappelijke situaties zetten hem aan tot
schrijven. Voor Boni moet poëzie waarachtig en menselijk zijn, gehuld in een strak,
opvallend manteltje van taal. Het mag rijmen maar het moet ritmen.
In het Mols PoëzieAtelier ervaart hij vooral het plezier van gedichten van de
andere leden te begrijpen en te appreciëren.

Bomen over poëzie

We kunnen het inderdaad nog heel dikwijls over poëzie hebben en allicht telkens weer iets anders vertellen, een andere bekende of verrassende waarheid voor de schijnwerper brengen een ander aspect belichten, een andere onverwachte uitspraak doen.

En zelfs de meest onverwachte uitspraak zal een stukje waarheid bevatten, misschien zelfs evenveel waarheid als de meest voor de hand liggende dooddoener.
De waarheid is dat het begrip poëzie even moeilijk met één hand te grijpen en vast te houden is als de paling in de spreekwoordelijke maar niet zo appetijtelijke emmer snot. (Vergeef me, beste lezer, deze glibberige en ondelicate beeldspraak.)

Maar ik wou toch graag duidelijk maken en erop wijzen
1) dat er evenveel soorten poëzie zijn als er individuele dichters zijn,
2) dat de scherpe scheidingslijn tussen wat nog poëzie is en wat net geen poëzie is door geen enkele autoriteit ter wereld kan getrokken worden,
3) dat de mate waarin een gedicht werkelijk een gedicht is en waardering verdient toch ook weer afhankelijk is van het inzicht, de appreciatie, het taalgevoel en de levenservaring van de desbetreffende lezer of toehoorder.

Over poëzie kan men honderd verschillende uitspraken doen en men kan er honderd verschillende definities van geven. En ook de vreemdste van deze uitspraken en definities zullen allicht wel enig recht van bestaan hebben.

Dat wil dus zeggen dat de denkbeelden over poëzie die ondergetekende – uw dienaar, zoals men in andere, meer hoffelijke tijden placht te schrijven – zou willen verkondigen, slechts een heel klein stukje van de waarheid zijn, maar toch inderdaad een stukje.

Dat geeft me de moed om nog het volgende aan te halen.
In nog niet zo lang vervlogen tijden moest een gedicht netjes rijmen. Het moest zelfs een welbepaald rijmschema hebben dat men met letters kon aanduiden.( a b a b c c d enz.)

Over die rijmnoodzakelijkheid van vroeger kunnen de dichters en lezers van nu alleen nog maar meewarig glimlachen. Zo van : “Weet je nog dat men vroeger op die manier dichtte..?”
Dat betekent echter niet dat men ook andere middelen om taal pregnanter, zeggingskrachtiger te maken overboord gegooid heeft. Integendeel!

En een dadelijk in het oog springend middel om zowel geschreven als gesproken taal krachtiger, indrukwekkender (letterlijk!) te maken is het ritme.
Ritme is het hart en de motor van de meeste soorten van moderne muziek, of het nu jazz, beat, rock of welke pop dan ook is. Maar ritme is eveneens het onvermijdelijk en onweerstaanbaar naar binnen sluipend element dat van nature uit zijn plaats opeist in iedere gesproken of geschreven tekst die zindert van ontroering en overtuiging, welke ontroering en overtuiging dan ook.

Nu het rijm niet meer zoals in lang vervlogen tijden toen heldendichten en verhalen alleen mondeling werden doorgegeven, de functie van geheugensteun heeft, is de belangrijkheid van het rijm wel degelijk verminderd. Rijm is mogelijk, niet noodzakelijk, terwijl ritme nog altijd en des te meer de hartenklop en het innerlijk gewricht van ons taalgevoel uitmaakt.
In gezelschap van vrienden heb ik dus ooit wel eens gezegd : “Een gedicht mag rijmen, maar het moet ritmen!”

Dit werkwoord “ritmen” bestaat natuurlijk niet. Zoiets noemen we dan een “neologisme”. Dichters en would–be dichters maken dergelijke dingen en doen nog veel meer rare streken met taal.
En dat brengt me langs een omweggetje alweer tot een waarheid over poëzie die de centrale kern raakt.
Dichters doen inderdaad vaak rare dingen met taal. Of misschien moeten we zeggen dat dichters een speciale, niet–alledaagse verhouding hebben tot taal. Dichten is dus zijn taal gebruiken op een bijzondere, persoonlijke manier.

Want taal is niet zomaar het medium dat dient om mededelingen te doen of om vreugde, angst of ontroering uit te drukken. Nee, taal is zelf het wezen, de materie en substantie van dat ongrijpbare maar toch zo wonderlijke ding dat men poëzie noemt.

Men zou zelfs geneigd kunnen zijn om de populaire visie dat poëtische taal dient om menselijke ontroering uit te drukken te gaan herformuleren, te gaan omkeren zelfs. En te zeggen dat de ontroering van de dichter zijn diepgravend taalgevoel geactiveerd heeft en in staat heeft gesteld om iets te creëren dat er voordien niet was, een kunst werkje waarvan taal de substantie en de eigenlijke kern is.

Men zou ook een gedicht ook kunnen beschouwen als iets dat ontstaan is en gegroeid bij de samenvloeiing van twee rivieren. De ene rivier bevat dan al de emotionele en bewustzijnstoestanden van de dichter, zijn ervaringen en inzichten in deze wereld en de andere rivier bevat zijn heel persoonlijke neiging en aanleg om creatieve rare streken uit te halen met taal, om louter en alleen met de middelen van de taal iets nieuws en oorspronkelijks voort te brengen.
Welnu, de meeste gedichten bevatten water dat afkomstig is uit beide bronnen, soms een beetje meer van het ene, soms een beetje meer van het andere.

Zeldzaam zijn de gedichten waar het alleen maar om de uitgestorte emotie gaat, zonder veel bekommernis om vorm of taalbeheersing. En tamelijk zeldzaam zijn de gedichten die alleen maar te beschouwen zijn als een vreemd maar fascinerend taalspelletje zonder bepaalde inhoud of aanleiding. Maar ook deze zeldzaamheden bestaan.
Ik zou over poëzie nog veel meer kunnen vertellen natuurlijk, en misschien schrijf ik ooit nog wel eens een artikel : ‘Doorbomen over Poëzie’ of ‘Nogmaals bomen over Poëzie’ maar op dit ogenblik ben ik eerder bevreesd dat de lezer in een schampere lach gaat schieten en hardop denken: “Jaja, de beste stuurlui staan alweer aan wal” of erger nog : “Als je het zelf niet kunt maken ( in de echte Griekse betekenis van het woord ‘poein’ ) dan moet je er natuurlijk over schrijven en leuteren”. En die lezer zou niet eens ongelijk hebben.

Dus laat ik het hierbij en heb ik amper nog de moed om hier twee eigen tekstjes aan toe te voegen : ‘Dichters Dagdroom’ en ‘Droomtijd’

Twee totaal verschillende tekstjes en het is slechts toevallig dat ‘droom’ in deze titels twee keer voorkomt want alleen ‘Droomtijd’ heeft met echte dromen te maken.
‘Dichters Dagdroom’ is een heel kort en heel eenvoudig gedicht. Het is mijn lievelingsgedicht precies omdat het zo eenvoudig en echt aanvoelt.

‘Droomtijd’ is allicht helemaal geen gedicht. Het is een lange beschrijving van de wereld van mijn nachtelijke dromen in een taal die hoogstens poëtisch proza genoemd kan worden.



Dichters dagdroom

Geef me een stukje potlood
en tien, twaalf woorden
om mee te goochelen.
En geef me vijf zes lezers
met drie minuten tijd.

Geef me een handvol lezers
nog van dien ouden stijl
die bij het hardop lezen
instemmend durven knikken
van ingenomenheid.

En geef me dat ik nu en dan
over het menselijk bestel,
de wereld of mezelf
in twaalf of dertien woorden
iets zinnigs zeggen kan.



Droomtijd

Waar blijft, na nachtelijke zwerftocht
het reiskaartje,
catalogus en plan
van 't land dat anders is
en op geen ogenblik voorspelbaar?

Hoe komt het toch dat elke morgen weer
geruisloos maar hermetisch,
die deur wordt dichtgedaan?
Hoe komt het dat ik in dat land
een totaal ander leven leid?

Dat land dat door geleerde kenners
van psyche en verborgenheden
ten nutte wordt gemaakt
voor mooie theorie en zielsverklaring,
maar dat, als puntje komt bij paal,
nog altijd een mysterie blijft.

Waarvan de bossen, meren, bergen, wegen
de huizen en de kamers
nooit zijn in kaart gebracht.
Geen tijdstip en geen plaats zijn er
ooit vast en aan zichzelf gelijk.

En toch, het komt me voor
dat in contreien die ik hier en nu
niet eens beschrijven kan,
ik vele keren ben geweest,
en weer en weer en weer geweest.

Het is alsof er oorden en situaties zijn
die ik glimlachend herken ...
Hier ben ik weer, hier ben ik nog geweest.
Want hier ben ik de held, de winnaar, Don Juan!"

En andere beelden die ik nat van angstzweet
ver van me af wil weren:
"Nee, asjeblief! Erbarmen!
Niet nog een keer!"

Maar 't kan ook zijn dat voor de zoveelste keer
mijn geest, als glimwormpje zo klein,
onstoffelijk haast, gewichtloos en onkwetsbaar,
weer zoeft door het heelal, door tijd en ruimte.

Doorheen een maalstroom van materie, energie,
langs kokend zonnevuur en gloeiende planeten,
maar doorheen ijzigkoude sferen ook,
waar alles star is, niets beweegt
dan hoogstens die kleine flits
van ’t glimwormpje
dat piekert over gravitatie
en hoe dit alles wel kan zijn,
en of dit alles ook wel is...
Of 't niet gedroomd is
vanuit een ander land?

Het komt me voor
dat in dit droomtijdland
schatten verborgen liggen;
in elke struik een steen der wijzen,
juwelen, panacees...
Maar dat door een verborgen schikking
elk pronkstuk, elke vondst
als water en als zand
door onze vingers glijdt
in 't kille morgenland.

Bij 't oversteken van de grens
wordt onze geest weer leeggeruimd.
Niets blijft er dan een vaag vermoeden,
een heel korte herinnering
die uitdooft als een druppel in de zon.

Ik weet dat dromen meer zijn dan bedrog.
Maar hoe de ware vork zit aan de steel
ontgaat me toch:
Ben ik nu overdag reëel en droom ik ’s nachts?
Of droom ik overdag en ben ik 's nachts pas echt?


Copyright © 2017 Mols Poëzie Atelier.be : Alle rechten voorbehouden